Appellante diende een aanvraag in voor een Wajong-uitkering, die door het UWV werd afgewezen op grond van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek waaruit bleek dat zij op haar achttiende verjaardag en de vijf jaren daarna arbeidsvermogen had. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante niet zodanig waren dat zij geen arbeid kon verrichten.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten en overhandigde aanvullende medische informatie, waaronder een psychologisch rapport. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze nieuwe informatie niet relevant was voor de periode van 2004 tot 2009 en dat de eerdere conclusies van het UWV en de rechtbank juist waren. De Raad benadrukte dat het aan appellante was om aannemelijk te maken dat zij duurzaam geen arbeidsvermogen had in de relevante periode, hetgeen niet was gelukt.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.