ECLI:NL:CRVB:2023:609
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op kinderbijslag bij onderbreking uitzendovereenkomst en verblijf in andere lidstaat
Appellant, een uitzendkracht woonachtig in Polen, werkte sinds 2007 met onderbrekingen in Nederland via hetzelfde uitzendbureau. Na een verblijf in Polen eind 2015 keerde hij begin februari 2016 terug naar Nederland en sloot per 8 februari 2016 een nieuwe uitzendovereenkomst. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde kinderbijslag toe te kennen over januari en februari 2016 omdat appellant op de eerste werkdag van die maanden niet verzekerd was onder de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat er geen arbeidsovereenkomst bestond in de tussenliggende periode en dat er geen sprake was van een tijdelijke onderbreking als bedoeld in het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (BUB). De Raad stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat bevestigde dat tijdens de tussenliggende periode de wetgeving van de woonstaat (Polen) van toepassing was.
De Raad oordeelt dat appellant in de tussenliggende periode niet onder de Nederlandse wetgeving viel en dat de Svb terecht het recht op kinderbijslag heeft geweigerd. Het onderscheid naar woonplaats is gerechtvaardigd en er is geen belemmering van het vrije verkeer. Ook het beroep op artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) slaagt niet, omdat de belangen van het kind voldoende zijn meegewogen en de kinderbijslag niet het karakter heeft van een laatste financieel vangnet.
Het hoger beroep wordt afgewezen, de uitspraak van de rechtbank bevestigd, en appellant krijgt geen terugbetaling van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op kinderbijslag over januari en februari 2016 vanwege het ontbreken van een uitzendovereenkomst en toepasselijkheid van de Poolse wetgeving.