ECLI:NL:CRVB:2023:625
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat zij vanaf 8 november 2020 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daardoor geen recht meer heeft op een WIA-uitkering. Het bezwaar werd ongegrond verklaard en de rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het daaropvolgende beroep eveneens ongegrond.
In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep heeft appellante aangevoerd dat het UWV onvoldoende beperkingen had opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vanwege haar fysieke en psychische klachten. Tevens stelde zij dat de rechtbank de medische beoordeling door verzekeringsartsen niet voldoende had getoetst.
De Raad oordeelde dat appellante geen medische stukken of informatie had overgelegd die aanleiding geven tot twijfel over de medische rapporten van de verzekeringsartsen. De eigen mening van appellante over haar beperkingen is onvoldoende om de juistheid van deze rapporten te betwisten. Er was dan ook geen reden om een deskundige te benoemen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank. De WIA-uitkering is terecht beëindigd per 8 november 2020. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.