ECLI:NL:CRVB:2023:694
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag langdurige zorg wegens onvoldoende aannemelijkheid uitbehandeldheid
Appellante, geboren in 1999, lijdt aan diverse ernstige psychische aandoeningen en heeft een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees deze aanvraag af omdat uit het medisch advies bleek dat nog geen adequate behandeling had plaatsgevonden en er een reële kans op verbetering was.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat het medisch advies betrouwbaar was en appellante geen contra-expertise had overgelegd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij al lange tijd klachten heeft, behandeling heeft ondergaan en dat behandeling niet mogelijk zou zijn, maar kon dit niet overtuigend aantonen.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank, benadrukte dat appellante de klinische behandeling vroegtijdig had afgebroken en dat niet was aangetoond dat alle behandelmogelijkheden waren benut. Ook werd geen medische machtiging verstrekt om aanvullende informatie op te vragen.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen of proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: De aanvraag voor langdurige zorg wordt afgewezen omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij uitbehandeld is en geen kans op verbetering heeft.