ECLI:NL:CRVB:2023:695
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van besluit over duur verlenging maatwerkvoorziening opvang
Appellante ontving vanaf februari 2018 een maatwerkvoorziening opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, welke door het college van burgemeester en wethouders van Haarlem meerdere malen werd verlengd. In december 2019 verlengde het college de voorziening met twee maanden, met als motivatie dat appellante zich meer moest inzetten voor uitstroom uit de opvang. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze verlenging ongegrond, omdat het college voldoende had gemotiveerd waarom de termijn beperkt bleef tot twee maanden en omdat er geen zicht was op concrete uitstroom.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de verlenging ten onrechte slechts twee maanden bedroeg in plaats van drie, en dat zij onterecht verplicht werd schoonmaaktaken te verrichten conform de huisregels van de gezinsopvang. Tevens stelde zij dat het college haar had bedreigd met dakloosheid, wat in strijd zou zijn met internationale verdragsbepalingen, en dat haar belangen en die van haar kind onvoldoende waren meegewogen.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de termijn van twee maanden passend was en vond geen aanleiding tot een ander oordeel. Het betoog over bedreiging met dakloosheid werd verworpen wegens gebrek aan onderbouwing. De Raad zag geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van de schoonmaaktaken omdat appellante inmiddels was uitgestroomd en geen bewijs had geleverd dat dergelijke taken van haar werden verlangd. Ook het beroep op internationale verdragen werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en gebrek aan aantoonbare schending.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep van appellante af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rechtbankuitspraak en wijst het hoger beroep van appellante af.