ECLI:NL:CRVB:2023:729
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds 22 juli 2017 arbeidsongeschikt is als ontbijt/restaurantmedewerker, vroeg op 16 mei 2019 een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering per 3 augustus 2020 omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Dit besluit werd bij bezwaar en beroep bevestigd, waarbij rapporten van verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige ten grondslag lagen.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De rechtbank vond geen reden om te twijfelen aan de rapporten van de verzekeringsartsen, ondanks aanvullende informatie van appellant over zijn aandoening Microscopische Polyangiitis en nierklachten. Ook het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, met name over de nierklachten en de beoordeling van beperkingen zoals urenbeperking en zitvermogen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en het UWV. De medische rapporten waren overtuigend en toonden aan dat er geen nierfunctiestoornis was die tot extra beperkingen leidde. De beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) waren passend en voldoende gemotiveerd.
De Raad verwierp het verzoek om een onafhankelijke deskundige en bevestigde dat de geselecteerde functies medisch passend zijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.