ECLI:NL:CRVB:2023:758
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens ontbreken hoofdverblijf op uitkeringsadres
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een bepaald uitkeringsadres. Uit een rechtmatigheidsonderzoek bleek dat het waterverbruik op dat adres extreem laag was en dat appellante feitelijk niet op dat adres verbleef. Het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad trok daarom de bijstand over de periode van 3 mei 2018 tot en met 10 april 2019 in en vorderde de kosten van bijstand terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en liet het besluit in stand. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij tijdelijk bij haar ouders verbleef vanwege een noodzakelijke verbouwing van de woning op het uitkeringsadres, en dat daardoor geen inlichtingenplicht was geschonden.
De Raad oordeelde dat het waterverbruik van maximaal 7 m³ per jaar als indicatie geldt dat de woning niet bewoond wordt en dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. De stelling van verbouwing en tijdelijk verblijf bij ouders werd niet onderbouwd. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de intrekking en terugvordering van de bijstand bleven in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand blijft in stand.