ECLI:NL:CRVB:2023:765
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens naderhand verkregen vermogen uit boedelscheiding
Appellante ontving vanaf oktober 2011 bijstand en had toen al aanspraak op bedragen uit een boedelscheiding die zij later daadwerkelijk ontving. Het college beëindigde de bijstand per 1 juli 2012 vanwege een vermogen dat de vermogensgrens overschreed en vorderde bijstand terug over de periode daarvoor.
In 2019 en 2020 ontving appellante alsnog bedragen uit de boedelscheiding en een pensioenafkoopsom. Het college stelde het vermogen opnieuw vast en vorderde terug op grond van de Participatiewet. Appellante voerde aan dat het vermogen uit de boedelscheiding alleen relevant was voor de periode vóór 1 juli 2012, maar dit werd verworpen.
De Raad oordeelde dat voor aanspraken die vóór de aanvang van de bijstand zijn ontstaan, de situatie bij aanvang beslissend is. Omdat appellante al vóór 1 juli 2012 aanspraak had op de bedragen, mocht het college deze bij de terugvordering betrekken. Het hoger beroep werd afgewezen en de terugvordering bleef in stand.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand blijft in stand omdat het vermogen uit de boedelscheiding al bij aanvang van de bijstand aanwezig was.