Eisers ontvingen bijstand naar de norm voor gehuwden en hadden een wasserij die in januari 2017 door brand werd getroffen. Na een vonnis in 2021 werd een schadevergoeding toegekend van €50.945,70. Verweerder trok de bijstand in over de periode 1 januari 2021 tot 29 september 2021 en vorderde €15.125,77 terug vanwege een te lang verblijf in het buitenland en achteraf ontvangen middelen.
De rechtbank oordeelt dat over de periode 1 januari tot 9 juni 2021 geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht, maar dat verweerder wel de terugvordering op basis van achteraf verkregen middelen mocht baseren. Echter, verweerder heeft nagelaten een zorgvuldige belangenafweging te maken en dit onvoldoende gemotiveerd, wat leidt tot een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek.
Voor de periode 9 juni tot 6 augustus 2021 is de intrekking en terugvordering terecht wegens verzwijging van de schadevergoeding. Voor de periode 6 augustus tot 28 september 2021 is de intrekking terecht vanwege langer verblijf in het buitenland zonder melding.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit en beveelt een nieuw besluit met inachtneming van deze uitspraak binnen twee maanden. Verweerder wordt veroordeeld in proceskosten en het betaalde griffierecht wordt vergoed.