Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:777

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 april 2023
Publicatiedatum
26 april 2023
Zaaknummer
21/2626 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:64 AwbArt. 19aa ZWArt. 19ab ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewet-uitkering na eerstejaars beoordeling wegens verdiencapaciteit

Appellant was werkzaam als opruimer in de bouw en meldde zich ziek op 9 november 2018. Het UWV kende hem een Ziektewet-uitkering toe. Na een eerstejaars beoordeling stelde het UWV vast dat appellant met beperkingen nog 97,30% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waarna de uitkering werd beëindigd per 26 december 2019.

Een verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde later een aanvullende urenbeperking vast, waardoor de verdiencapaciteit werd bijgesteld naar 67,34%. Het UWV beëindigde de uitkering per 9 juli 2020. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij het medisch onderzoek en de geschiktheid van functies werden bevestigd.

In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen, mede door slaapapneu en depressieve klachten, waren onderschat en dat een verdere urenbeperking nodig was. Het UWV onderbouwde met recente rapporten dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld. De Raad oordeelde dat het UWV terecht had vastgesteld dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Ziektewet-uitkering van appellant is terecht beëindigd per 9 juli 2020 omdat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen.

Uitspraak

21 2626 ZW

Datum uitspraak: 26 april 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 juni 2021, 20/4745 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.A.P.A.C. Coenjaerts, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Coenjaerts. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
Het onderzoek ter zitting is geschorst.
Het Uwv heeft een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend. Appellant heeft een reactie ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als opruimer in de bouw. Op 9 november 2018 heeft hij zich ziek gemeld met fysieke klachten. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 13 december 2018 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2.
In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 oktober 2019. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 97,30% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 25 november 2019 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 26 december 2019 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
1.3.
Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 30 april 2020 geconcludeerd dat de vermoeidheidsklachten van appellant plausibel zijn en dat er aanleiding is voor een aanvullende urenbeperking van 6 uur per dag en 30 uur per week. Deze verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een FML van 30 april 2020. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft nieuwe functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 67,34% van zijn maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Op 8 juni 2020 heeft het Uwv appellant in kennis gesteld van het voornemen tot wijziging van het besluit van 25 november 2019. Appellant heeft bij brief van 29 juni 2020 hierop gereageerd en meegedeeld het niet eens te zijn met het voorgenomen besluit, omdat hij van mening is dat hij niet in staat is om 6 uur per dag te werken. In het besluit van 28 juli 2020 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 25 november 2019 gegrond verklaard en bepaald dat de ZW-uitkering van appellant op 9 juli 2020 eindigt, omdat hij op die datum meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd waarom hij op basis van de overgelegde medische informatie geen reden ziet om meer beperkingen aan te nemen. Gelet op de vastgestelde belastbaarheid van appellant zijn de geduide functies geschikt. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat appellant meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. De
ZW-uitkering is daarom terecht per 9 juli 2020 beëindigd.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant gesteld gesteld dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Op de datum in geding (9 juli 2020) was de slaapapneu (OSAS) al geconstateerd. De combinatie van depressieve klachten, klachten als gevolg van de OSAS en de operatie zorgt voor vermoeidheid. Appellant heeft gesteld dat hij veel piekert. Appellant is van mening dat de verzekeringsartsen onvoldoende hebben onderbouwd waarom een urenbeperking van 6 uur per dag en 30 uur per week afdoende is. Appellant heeft gesteld dat een verdergaande urenbeperking had moeten worden aangenomen Ten slotte heeft appellant gesteld dat hij niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen.
3.2.
Het Uwv heeft rapporten ingediend van 28 december 2021 en van 6 december 2022 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze verzekeringsarts heeft appellant gezien op 28 december 2021. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangegeven dat er geen aanleiding is om in verband met OSAS in de FML aanvullende beperkingen aan te nemen. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant, rekening houdend met zijn beperkingen, in staat is vanaf 9 juli 2020 met gangbare arbeid ten minste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur en gelet daarop terecht de ZW-uitkering van appellant per die datum heeft beëindigd.
4.3.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.4.
Naar aanleiding van de beroepsgrond van appellant dat in verband met OSAS op de datum in geding een aanvullende urenbeperking had moeten worden vastgesteld, heeft het Uwv met zijn rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 december 2021 en 6 december 2022 zijn standpunt nader toegelicht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat in verband met een depressieve episode en maligniteit beperkingen zijn aangenomen in de rubrieken persoonlijk functioneren en dynamische handelingen. Gelet op de vermoeidheidsklachten is in de FML van 19 mei 2020 daarnaast een urenbeperking aangenomen van 6 uur per dag en 30 uur per week. In zijn rapport van 6 december 2022 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat de vermoeidheidsklachten van appellant aan zowel de resterende vermoeidheid na een operatie als aan het verstoorde slaappatroon zijn toegeschreven. Ten aanzien van het verstoorde slaappatroon is bij nader inzien aannemelijker dat dit voortkomt uit de OSAS en niet uit de depressieve klachten. Er zijn geen aanknopingspunten om de juistheid van de onderbouwing van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in twijfel te trekken. Appellant heeft niet nader anderbouwd dat het nachtelijk piekeren op de datum in geding een verdergaande urenbeperking rechtvaardigt.
4.5.
De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.
4.6.
De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. Karman, in tegenwoordigheid van S.C. Scholten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2023.
(getekend) C. Karman
(getekend) S.C. Scholten