Uitspraak
21 2626 ZW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
ZW-uitkering is daarom terecht per 9 juli 2020 beëindigd.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als opruimer in de bouw en meldde zich ziek op 9 november 2018. Het UWV kende hem een Ziektewet-uitkering toe. Na een eerstejaars beoordeling stelde het UWV vast dat appellant met beperkingen nog 97,30% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waarna de uitkering werd beëindigd per 26 december 2019.
Een verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde later een aanvullende urenbeperking vast, waardoor de verdiencapaciteit werd bijgesteld naar 67,34%. Het UWV beëindigde de uitkering per 9 juli 2020. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij het medisch onderzoek en de geschiktheid van functies werden bevestigd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen, mede door slaapapneu en depressieve klachten, waren onderschat en dat een verdere urenbeperking nodig was. Het UWV onderbouwde met recente rapporten dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld. De Raad oordeelde dat het UWV terecht had vastgesteld dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Ziektewet-uitkering van appellant is terecht beëindigd per 9 juli 2020 omdat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen.