Uitspraak
16.6431 PW, 17/2175 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
heeft vastgesteld op € 5.467,-;
de plaats treedt van het vernietigde besluit van 7 maart 2016;
€ 1.002,-;
vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving sinds 2003 bijstand en verzweeg bezit van vier woningen in Turkije en een Turks pensioen. Na onderzoek door het Internationaal Fraudebureau en de Nederlandse ambassade bleek dat zij onroerend goed bezat dat zij niet had gemeld, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Het college trok de bijstand in en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank oordeelde dat de boete moest worden gematigd, maar ging uit van een te hoog maximumbedrag. In hoger beroep betwistte appellante het bezit van onroerend goed en stelde zij dat zij niet over voldoende financiële draagkracht beschikte om de boete te voldoen.
De Raad oordeelde dat de bewijslast rust op appellante om het tegendeel aannemelijk te maken, wat zij niet deed. De Raad bevestigde dat de boete terecht is opgelegd en matigde deze tot het maximale bedrag dat gold op 1 januari 2013, omdat de overtreding doorliep over die datum heen. De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De intrekking van bijstand wordt bevestigd en de boete gematigd tot € 5.200,-, het maximale bedrag dat gold op 1 januari 2013.