1.4.Bij besluit van 16 mei 2019 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 maart 2019 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat de door appellante overgelegde medische gegevens van huisarts Dijk-Steur, klinisch psycholoog Groen en regiebehandelaar Fennema geen steun bieden voor het standpunt dat appellante als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van medische aard niet in staat was om binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het vereiste afsluitend examen te behalen. De medische gegevens laten weliswaar zien dat appellante bekend is met een combinatie van aandoeningen, maar niet dat zij als direct gevolg daarvan de gestelde vertraging heeft opgelopen. De verklaring van loopbaanadviseur Nuchelmans dat appellante vanwege haar medische omstandigheden vastliep in haar opleiding is op zichzelf onvoldoende om bedoelde bijzondere omstandigheden aan te nemen. Nuchelmans geeft in haar verklaring aan dat appellante vanwege medische omstandigheden in 2013 is vastgelopen in de opleiding Pedagogisch Werk op niveau 4 en genoodzaakt was een opleiding op niveau 2 te gaan volgen. Deze opleiding heeft zij medio 2016 afgerond met een diploma. Appellante heeft naderhand tevergeefs geprobeerd toegelaten te worden tot de PABO. De vertraging die deze keuze meebracht is een omstandigheid die voor haar rekening en risico dient te komen. De minister heeft daarbij terecht betrokken dat indien appellante na het afronden van haar opleiding medio 2016 aansluitend een mbo-opleiding op niveau 4 was gaan volgen, zij deze tijdig, binnen de diplomatermijn, had kunnen afronden. De minister mocht zich dan ook op het standpunt stellen dat het niet behalen van het diploma binnen de geldende termijn geen direct gevolg is van een bijzondere omstandigheden, maar veeleer van door appellante zelf gemaakte keuzes.
3. Appellante heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat de rechtbank heeft miskend dat de minister erkent dat de geschetste medische omstandigheden van appellante zouden kunnen leiden tot vertraging in de afronding van de studie. De minister heeft evenwel niet gemotiveerd waarom de diplomatermijn voldoende zou zijn om die vertraging op te vangen. Bij de problemen die appellante heeft, hoort ook dat zij moeilijk de juiste studie kan kiezen en dat moeilijk valt vast te stellen welke opleiding bij haar past. Daarom heeft ze het advies van de school over de te maken keuzes opgevolgd. Ten slotte heeft de minister ten onrechte zelf een afweging gemaakt, waar uit de adviezen van de studieadviseur en de huisarts volgt dat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 4.14 van de Wsf 2000 is voldaan.
4. Omdat twijfel bestond over de consequenties van de functiebeperking van appellante voor haar mogelijkheden om tijdig een diploma te behalen, heeft de Raad een psychiater als deskundige benoemd. De deskundige heeft in haar rapport van 25 juli 2022 geconcludeerd dat het aannemelijk is dat de studievertraging van appellante volledig aan haar medische problemen is toe te schrijven. In het rapport is vermeld dat kan worden gesteld dat bij appellante problemen worden gezien in de emotieregulatie, die vooral in het verleden heftig zijn geweest. Een periode is er sprake geweest van automutilatie. Appellante is verder negatief in het denken, heeft een kwetsbaar zelfgevoel en blijkt niet echt in staat tot het stellen van persoonlijke doelen. Zij heeft meerdere opleidingen niet af weten te ronden en tijdens stages liep zij tegen problemen aan. Zij is gevoelig voor kritiek. Er wordt tevens een patroon gezien van preoccupatie met ordelijkheid, perfectionisme en psychische en interpersoonlijke controle. Enerzijds kan zij impulsief zijn, anderzijds is zij besluiteloos. Door het dwangmatige overbelast zij zichzelf continu en is het voor haar moeilijk om tot ontspanning te komen. Zij is in zijn algemeenheid rigide te noemen en anderen zouden wel eens opmerken dat zij koppig is. De ADHD was reeds sinds de kindertijd aanwezig, en een persoonlijkheidsstoornis openbaarde zich in de vroege volwassenheid. Dat betekent dat beide stoornissen ook aan de orde waren ten tijde van de gehele studieperiode van onderzochte. De inschatting is dat de studievertraging met name is toe te schrijven aan de beperkingen voortkomend uit de persoonlijkheidsstoornis.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.1.Ingevolge artikel 4.9 van de Wsf 2000 is de diplomatermijn beroepsonderwijs een periode van tien jaren. Deze periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarover voor het eerst prestatiebeurs is toegekend voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4.
5.1.2.Ingevolge artikel 4.14, tweede lid, van de Wsf 2000 wordt, indien een deelnemer als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, deze termijn, op aanvraag, verlengd met vijf jaren. Onder bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte.
5.1.3.Ingevolge artikel 4.14, vijfde lid stelt de minister op aanvraag van de deelnemer vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de deelnemer is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de deelnemer is ingeschreven.