ECLI:NL:CRVB:2020:1656
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek verlenging diplomatermijn studiefinanciering wegens bijzondere omstandigheden
Appellante had een opleiding niveau 3 of 4 niet binnen de wettelijke diplomatermijn van tien jaar afgerond. Zij verzocht om verlenging van de diplomatermijn op grond van bijzondere medische omstandigheden die studievertraging veroorzaakten. De minister wees dit verzoek af omdat een BBL-opleiding geen recht geeft op studiefinanciering en omdat de overschrijding van de diplomatermijn niet direct het gevolg was van de medische omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet eerder met de opleiding had kunnen starten. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij vanwege gemeentelijk beleid pas in augustus 2015 met behoud van bijstandsuitkering mocht starten en dat studievertraging door medische redenen en het overlijden van haar dochter de oorzaak was van het niet tijdig behalen van het diploma.
De Raad stelde vast dat de nominale studieduur van de opleiding, rekening houdend met haar instroom in het tweede leerjaar, twee jaar bedroeg, waardoor het binnen de diplomatermijn niet mogelijk was het diploma te behalen. De verklaring van de onderwijsinstelling ondersteunde dit. De stelling van appellante over een versneld traject werd niet bevestigd. Ook ontbrak feitelijke onderbouwing voor haar bewering dat de gemeente haar eerder starten had geweigerd.
De Raad concludeerde dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de diplomatermijn en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de diplomatermijn studiefinanciering wordt afgewezen en de bestreden uitspraak bevestigd.