Appellante ontving kinderbijslag voor haar dochter, maar niet voor haar zoon geboren in 2003. Door een fout in de gegevensuitwisseling tussen de gemeente en de Sociale verzekeringsbank (Svb) werd de kinderbijslag voor haar zoon niet automatisch toegekend. Na melding in 2021 heeft de Svb kinderbijslag toegekend met terugwerkende kracht vanaf het eerste kwartaal van 2016, conform het beleid om maximaal vijf jaar terug te gaan.
Appellante voerde aan dat zij recht heeft op kinderbijslag vanaf de geboorte van haar zoon en dat het beleid van de Svb niet consistent is toegepast. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad bevestigt dit oordeel. De Raad stelt vast dat het recht op kinderbijslag op aanvraag wordt vastgesteld en dat de wet een maximale terugwerkende kracht van één jaar kent, terwijl de Svb een buitenwettelijk beleid hanteert van vijf jaar terugwerkende kracht bij fouten.
De Raad oordeelt dat het beleid consistent is toegepast en dat er geen fundamentele rechten zijn geschonden. De wetgever heeft bewust gekozen voor een beperking van de terugwerkende kracht vanwege uitvoeringskosten. Financiële aanspraken tegen de overheid zijn na vijf jaar niet meer afdwingbaar. De Raad ziet geen grond om het beleid buiten toepassing te laten en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.