Appellant vroeg om een Wajong-uitkering met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 1989, de datum waarop zijn AAW-uitkering was ingetrokken. Na eerdere procedures oordeelde de Raad dat er sprake was van nieuwe medische feiten die heroverweging van het intrekkingsbesluit vereisten. Het UWV stelde de Wajong-uitkering toe vanaf 29 september 2009, verwijzend naar de vaste rechtspraak dat financiële aanspraken op de overheid na vijf jaar niet afdwingbaar zijn, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn.
Appellant voerde aan dat hij mocht vertrouwen op het destijds medisch oordeel en dat er bijzondere omstandigheden waren die volledige terugwerkende kracht rechtvaardigen. De Raad verwierp dit en stelde dat de vijfjarenregel ook hier van toepassing is, omdat de Wajong geen uitzondering kent en appellant geen bijzondere omstandigheden aannemelijk maakte.
De Raad vernietigde het besluit van 30 november 2018, handhaafde het besluit van 28 augustus 2019 en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant. Hiermee werd de Wajong-uitkering betaalbaar gesteld vanaf 29 september 2009, met uitzondering van periodes van detentie.