ECLI:NL:CRVB:2023:835
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep WIA-uitkering: maatman omvang en medische beoordeling
Appellant, voormalig chef magazijn, diende een WIA-aanvraag in na ziekmelding in oktober 2017. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 64,09%, later bij bezwaar gewijzigd naar 61,71% vanwege een gemaximeerde maatman van 50 uur per week. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellant dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, dat de maatman ten onrechte was gemaximeerd en dat niet alle voorbeeldfuncties passend waren. Tevens voerde hij aan dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag eerder lag dan vastgesteld. De Raad oordeelde dat het UWV terecht uitging van 10 oktober 2017 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag, omdat eerdere arbeidsongeschiktheid slechts tijdelijk was.
De Raad bevestigde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de medische conclusies juist waren, ondanks aanvullende medische stukken van appellant. De arbeidsdeskundige had de functies passend gemotiveerd. Wel oordeelde de Raad dat de maatman ten onrechte was gemaximeerd op 50 uur per week, omdat appellant voldoende gelegenheid tot recuperatie had en de omvang van het werk niet excessief was.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en stelde zelf vast dat appellant vanaf 8 december 2019 64,09% arbeidsongeschikt is met een resterende verdiencapaciteit van € 1.952,71 per maand. Tevens veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de maatman wordt door de Raad zelf vastgesteld zonder beperking tot 50 uur per week.