Uitspraak
21.618 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds 2012 bijstand van het college van burgemeester en wethouders van Stein. Bij besluit van 14 maart 2019 werd de bijstand met ingang van 1 november 2018 ingetrokken. Appellant en zijn gemachtigde maakten bezwaar tegen dit besluit. Na het uitblijven van een tijdige beslissing stelde appellant het college in gebreke. Het college kende vervolgens aan de gemachtigde een dwangsom toe, maar niet aan appellant. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college niet-ontvankelijk werd verklaard omdat appellant geen procesbelang zou hebben.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was, omdat het besluit niet aan appellant was gericht. De rechtbank paste artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe om het gebrek in het besluit te passeren en kende een proceskostenvergoeding toe.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank ten onrechte artikel 6:22 Awb Pro had toegepast, omdat het college bewust wettelijke bepalingen had genegeerd. Tevens verzocht appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad oordeelde dat de gemachtigde van appellant geen concrete argumenten had tegen de toepassing van artikel 6:22 Awb Pro en verwierp het hoger beroep. Ook werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen omdat de redelijke termijn van vier jaar niet was overschreden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar en wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.