ECLI:NL:CRVB:2023:893
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van UWV-besluit over arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering
Appellant, voormalig logistiek medewerker, meldde zich in februari 2018 ziek met lichamelijke en psychische klachten en ontving toen een WW-uitkering. In het kader van een WIA-aanvraag stelde een verzekeringsarts vast dat appellant belastbaar is met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant niet geschikt is voor zijn laatst verrichte werk en bepaalde de mate van arbeidsongeschiktheid op 63,7%.
Het UWV kende op 13 oktober 2020 een loongerelateerde WGA-uitkering toe en verklaarde het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond. De rechtbank Oost-Brabant bevestigde dit besluit in juni 2022, oordelend dat het UWV het medisch onderzoek zorgvuldig had uitgevoerd en de beperkingen niet had onderschat, ondanks een brief van de behandelend psychiater.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank onvoldoende medische deskundigheid had om het oordeel over de beperkingen te beoordelen. De Centrale Raad van Beroep verwierp dit en bevestigde dat het UWV zorgvuldig en volgens protocollen had gehandeld. Er waren geen aanwijzingen dat de beperkingen waren onderschat en de voorbeeldfuncties waren medisch geschikt.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door E.W. Akkerman op 11 mei 2023.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit tot toekenning van een WGA-uitkering van 63,7% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.