ECLI:NL:CRVB:2023:966
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster, vroeg een WIA-uitkering aan vanwege klachten na zwangerschap. Het UWV stelde op basis van een telefonisch verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, ook zonder fysiek spreekuur. De verzekeringsarts had de beperkingen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat vastgesteld en de arbeidsdeskundige had passende functies geselecteerd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen onvoldoende waren meegewogen en dat een fysiek spreekuur noodzakelijk was om haar pijnklachten te objectiveren. De Raad oordeelde dat het telefonische onderzoek zorgvuldig was en dat er geen medische noodzaak was voor een fysiek onderzoek. De medische stukken na de datum in geding bevatten geen nieuwe feiten die tot een andere beoordeling leiden.
De Raad bevestigde dat het UWV terecht de arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% heeft vastgesteld en de WIA-uitkering heeft geweigerd. De uitspraak van de rechtbank werd bekrachtigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid na een zorgvuldig medisch onderzoek.