Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:1010

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 mei 2024
Publicatiedatum
27 mei 2024
Zaaknummer
22/383 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over belastbaarheid appellant na zorgvuldige herbeoordeling

De zaak betreft hoger beroep tegen een besluit van het UWV over de belastbaarheid van appellant in het kader van de WIA. In een eerdere tussenuitspraak oordeelde de Raad dat het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd vanwege tegenstrijdigheden in de medische beoordeling.

Het UWV heeft daarop een aanvullend rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend, waarin is geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellant onveranderd is en dat de vermeende toename van klachten niet leidt tot meer beperkingen. Appellant betwistte dit en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige.

De Raad oordeelt dat het aanvullende onderzoek en de motivering van het UWV afdoende zijn en dat het motiveringsgebrek is hersteld. De rechtbank had eerder geoordeeld dat er geen reden was om aan het medisch oordeel van het UWV te twijfelen. De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, behoudt de rechtsgevolgen, en veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het besluit van het UWV over de belastbaarheid van appellant wordt vernietigd met in stand blijvende rechtsgevolgen en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

22.383 WIA

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 december 2021, 21/54 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 16 mei 2024
PROCESVERLOOP
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 30 november 2022 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2022:2591, gedaan (tussenuitspraak).
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv een rapport van 23 januari 2023 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.
Appellant heeft zijn zienswijze over dit rapport naar voren gebracht.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij volstaat met het volgende/voegt daar het volgende aan toe.
1.2.
De Raad heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd omdat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde motivering berust op tegenstrijdigheden.
1.3.
Het Uwv is opgedragen dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen door het standpunt van het Uwv nader te motiveren met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen.
1.4.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een rapport van 23 januari 2023 uitgebracht. Hij heeft in dit rapport uiteengezet dat geen sprake is van tegenstrijdigheden en dat geen toename van de beperkingen van appellant aan de orde is.
1.5.
Appellant heeft hierop gereageerd. Hij heeft te kennen gegeven dat het Uwv niet tijdig heeft gereageerd en dat het motiveringsgebrek niet is hersteld. Opvallend is dat geen navraag is gedaan bij verzekeringsarts bezwaar en beroep Middelbos. Onderzocht had moeten worden of de toename van klachten ook leidt tot een toename van beperkingen. Dit onderzoek is niet gedaan. Er had een nieuwe FML moeten worden opgesteld. Appellant verzoekt om benoeming van een deskundige.
2. De Raad oordeelt als volgt.
2.1.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met de gegeven toelichting in het rapport van 23 januari 2023, uitvoering gegeven aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. Hij heeft overtuigend gemotiveerd dat de belastbaarheid van appellant onveranderd is. Hij heeft toegelicht dat de situatie dat sprake is van toegenomen klachten niet betekent dat ook sprake is van toegenomen beperkingen. Er zijn daarom geen tegenstrijdige standpunten van de verzekeringsartsen bezwaar en beroep aan de orde. Gelet op het voorgaande is alsnog sprake van een afdoende motivering van het bestreden besluit en is het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek hersteld.
2.2.
Het standpunt van appellant, dat het motiveringsgebrek niet is hersteld omdat medisch onderzoek ontbreekt, volgt de Raad niet. Nog daargelaten dat sprake was van een motiveringsgebrek omdat sprake leek te zijn van tegenstrijdigheden, heeft het Uwv wel onderzoek gedaan naar een mogelijke toename van de beperkingen van appellant. De primaire verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht, appellant telefonisch te woord gestaan in het bijzijn van een beëdigde tolk en informatie opgevraagd bij de behandelaar. De verzekeringsartsen bezwaar en beroep hebben eveneens dossierstudie verricht en kennis genomen van de door appellant overgelegde informatie van de behandelend sector. In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog extra informatie opgevraagd bij de neuroloog.
2.3.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er geen aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan het medisch oordeel van de artsen van het Uwv. De verzekeringsartsen bezwaar en beroep hebben uiteindelijk overtuigend gemotiveerd dat op basis van de aspecifieke lage rugklachten, zelfs als zou worden uitgegaan van een al aanwezige HNP in 2017, geen sprake is van toegenomen beperkingen na het einde van de wachttijd in 2017. Ook wanneer aan appellant het voordeel van de twijfel zou worden gegeven door uit te gaan van dezelfde ziekteoorzaak (dus uitgaande van al een HNP in 2017), is de belastbaarheid van appellant onveranderd in vergelijking met 2017. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 11 oktober 2022 afdoende gemotiveerd dat in de FML al werd aangegeven dat appellant niet te veel mag tillen/dragen, duwen/trekken, hoogfrequent mag buigen etc. waarbij ook statische belasting beperkt werd. Omdat geen ernstige uitvalsverschijnselen in 2018 en daarna aanwezig waren, heeft hij geen indicatie gezien om meer beperkingen aan te nemen.
2.4.
Omdat de daarvoor noodzakelijke twijfel aan de beoordeling door het Uwv ontbreekt, bestaat geen aanleiding voor inschakeling van een onafhankelijk deskundige.
3. Nu eerst na de tussenuitspraak in hoger beroep sprake is van een afdoende motivering van het bestreden besluit, bestaat aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond te verklaren en dit besluit te vernietigen onder de bepaling dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
4. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden voor verleende rechtsbijstand begroot op € 1.750,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,-) en op € 2.187,50 in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze met een waarde per punt van € 875,-). De door het Uwv te vergoeden proceskosten bedragen in totaal € 3.937,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 26 november 2020;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.937,50;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2024.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) E.X.R. Yi