ECLI:NL:CRVB:2024:1011
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering per 27 september 2021 wegens ontbreken toegenomen beperkingen
Appellante, werkzaam als schoonmaker/afwasser, meldde zich op 27 september 2021 ziek met vermeende toegenomen lichamelijke en psychische klachten. Het UWV weigerde een Ziektewetuitkering toe te kennen, omdat verzekeringsartsen vaststelden dat haar beperkingen niet waren toegenomen ten opzichte van de WIA-beoordeling in 2019, waarbij zij geschikt werd geacht voor drie geselecteerde functies.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat zij geen medische stukken overlegde die haar standpunt ondersteunden. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat het UWV terecht de uitkering heeft geweigerd. Appellante's bezwaar dat de medische rapporten niet objectief zouden zijn en dat de rechtbank onvoldoende medisch inzicht zou hebben, wordt verworpen.
De Raad benadrukt dat op grond van artikel 19 van Pro de Ziektewet een uitkering kan worden geweigerd indien de beperkingen niet zijn toegenomen en de betrokkene geschikt blijft voor de bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies. Omdat appellante geen concrete aanwijzingen of medische stukken heeft overgelegd die een toename van beperkingen aantonen, is de weigering terecht. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellante per 27 september 2021 een Ziektewetuitkering toe te kennen wegens ontbreken van toegenomen beperkingen.