ECLI:NL:CRVB:2024:1022
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Intrekking hoger beroep na tegemoetkomend besluit en proceskostenveroordeling wegens overschrijding redelijke termijn
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV, maar dit beroep ingetrokken nadat het UWV met een gewijzigd besluit volledig aan het bezwaar tegemoetkwam. De Raad heeft vervolgens het verzoek van appellant behandeld om het UWV te veroordelen in proceskosten en om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe te kennen.
De Raad overweegt dat de redelijke termijn voor een drie-instantiesprocedure in beginsel vier jaar bedraagt. In deze zaak duurde de procedure echter ruim vijf jaar, waarbij de termijn pas eindigde bij de bekendmaking van het tegemoetkomend besluit. Dit betekent dat de redelijke termijn met anderhalf jaar is overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van €1.500,-. Deze schadevergoeding wordt verdeeld tussen het UWV en de Staat volgens de methode van de Hoge Raad.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellant, inclusief kosten voor rechtsbijstand en medische rapporten, en bepaalt dat het UWV het betaalde griffierecht vergoedt. De Staat wordt eveneens veroordeeld tot een deel van de proceskosten in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De uitspraak bevestigt dat intrekking van hoger beroep na tegemoetkomend besluit leidt tot een afzonderlijke uitspraak over proceskosten en schadevergoeding en benadrukt het belang van tijdige besluitvorming binnen de redelijke termijn.
Uitkomst: Het UWV en de Staat worden veroordeeld tot vergoeding van schade en proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn na intrekking van het hoger beroep.