ECLI:NL:CRVB:2024:1027
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na nieuwe beslissing UWV
Appellant, voormalig werknemer van een Belgische onderneming, vroeg een WW-uitkering aan na beëindiging van zijn dienstverband. Het UWV weigerde aanvankelijk de uitkering vanwege te hoge inkomsten in juni 2018. Na bezwaar en meerdere besluiten stelde het UWV het dagloon vast op verschillende bedragen.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant gegrond en vernietigde de besluiten van het UWV. In hoger beroep nam het UWV een nieuwe beslissing op bezwaar waarbij het dagloon werd vastgesteld op een hoger bedrag, waarmee het volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellant.
Omdat appellant met deze nieuwe beslissing instemde en het UWV de proceskosten en griffierecht vergoedde, oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat appellant geen belang meer had bij het hoger beroep. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na nieuwe beslissing UWV.