ECLI:NL:CRVB:2024:1049
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schorsing ZW-uitkering wegens niet-medische arbeidsongeschiktheid en weigering medewerking deskundigenonderzoek
Appellant was werkzaam als schoonmaker en meldde zich ziek per 3 juni 2019. Het Uwv schortte de ZW-uitkering op omdat appellant niet meewerkte aan afspraken en de ex-werkgever de ziekmelding niet kon beoordelen. Na medisch en arbeidskundig onderzoek werd vastgesteld dat appellant per 3 juni 2019 geschikt was voor zijn werk.
Appellant verzette zich tegen de besluiten en stelde dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat hij recht had op de uitkering op grond van artikel 20 van Pro de Grondwet. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de schorsing niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen de definitieve afwijzing ongegrond.
In hoger beroep bevestigde de Raad dat appellant verplicht was mee te werken aan het onderzoek door een benoemde KNO-arts. Appellant weigerde dit en diende meerdere wrakingsverzoeken in die werden afgewezen. De Raad trok daarom de gevolgtrekkingen die hem geraden voorkwamen en baseerde zijn oordeel op de bestaande medische gegevens.
De Raad concludeerde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellant niet arbeidsongeschikt was voor zijn eigen werk op de datum in geding. Het beroep op artikel 20 van Pro de Grondwet faalde omdat de rechter niet toetst aan grondwettelijkheid van wetten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de schorsing van de ZW-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de schorsing van de ZW-uitkering per 3 juni 2019 en verklaart het hoger beroep ongegrond.