Appellante diende een herhaalde aanvraag in voor een Wajong-uitkering vanwege psychische gezondheidsproblemen. Het UWV wees de aanvraag af omdat zij over arbeidsvermogen en basale werknemersvaardigheden beschikt, wat werd bevestigd door medisch en arbeidskundig onderzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarop zij hoger beroep instelde. Appellante betwistte de beoordeling van haar beperkingen en stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met haar medische situatie, waaronder partieel foetaal alcoholsyndroom en autisme.
De Centrale Raad van Beroep volgde het standpunt van het UWV dat er geen toename van beperkingen was binnen de relevante periode en dat appellante niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt. Het verzoek tot benoeming van een deskundige werd afgewezen.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn in de procedure met ongeveer zeventien maanden was overschreden, wat leidde tot een schadevergoeding van € 1.500,- aan appellante. De Staat werd ook veroordeeld tot betaling van proceskosten.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.