Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1951 en zoon van erkende vervolgingsslachtoffers, verzocht meerdere malen om erkenning als tweede generatie oorlogsslachtoffer. De oorspronkelijke aanvraag uit 1994 werd afgewezen omdat appellant geen psychische klachten had die het niveau van ziekte of gebrek bereikten. Dit besluit werd in 2012 en 2023 bevestigd na herzieningsverzoeken.
De Centrale Raad van Beroep beoordeelde het beroep tegen het besluit van 6 april 2023 waarin het herzieningsverzoek werd afgewezen. De Raad bevestigde dat het beleid sinds de wetswijziging van 15 juli 1994 geen erkenning toestaat voor personen geboren na de oorlog, tenzij er een aperte, verwijtbare fout is gemaakt bij de oorspronkelijke beoordeling.
Appellant voerde onjuistheden aan in het sociaal en medisch rapport, maar deze werden niet als aan verweerder toe te schrijven fouten aangemerkt. De Raad concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat het bestreden besluit terecht stand houdt. Appellant krijgt geen terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de erkenning als tweede generatie oorlogsslachtoffer wordt afgewezen wegens het ontbreken van een aperte, verwijtbare fout.