ECLI:NL:CRVB:2024:1166
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA- en ZW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om haar per 30 december 2020 geen WIA-uitkering toe te kennen en per 15 maart 2022 geen ZW-uitkering toe te kennen. Zij stelt dat zij meer beperkt is dan het UWV heeft vastgesteld en dat de geduide functies niet passend zijn.
De rechtbank Rotterdam heeft de besluiten van het UWV bevestigd, waarbij is geoordeeld dat de medische en arbeidskundige onderzoeken zorgvuldig en voldoende gemotiveerd zijn. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige hebben vastgesteld dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en geschikt is voor de geselecteerde functies, rekening houdend met haar beperkingen.
In hoger beroep voert appellante aan dat de medische beoordeling onvoldoende onafhankelijk is en dat er onduidelijkheid bestaat over de duurbelastbaarheid en de geschiktheid van functies. De Raad oordeelt dat de medische rapporten voldoen aan de vereisten, dat er geen aanwijzingen zijn voor onpartijdigheid, en dat de aanvullende beperkingen in de ZW-procedure adequaat zijn beoordeeld.
De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. De weigering van de WIA- en ZW-uitkeringen blijft in stand. Het verzoek om schadevergoeding en proceskosten wordt afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA- en ZW-uitkeringen aan appellante wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.