ECLI:NL:CRVB:2024:1178
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij WW-uitkering
Appellant was sinds 1 februari 2004 in dienst bij de Staat der Nederlanden en werd bij beschikking van 8 april 2021 ontslagen wegens ernstig verwijtbaar handelen, waarbij hij geen transitievergoeding kreeg toegekend. Hij vroeg een WW-uitkering aan en toestemming om in Zwitserland te zoeken naar werk met behoud van uitkering. Het Uwv kende de uitkering toe maar betaalde deze niet uit vanwege verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat de hoorplicht niet was geschonden.
Appellant stelde dat er geen sprake was van verwijtbare werkloosheid en dat zijn recht op een eerlijk proces was geschonden door het ontbreken van een hoorzitting en zijn afwezigheid bij de zitting. Het Uwv wijzigde haar standpunt en stelde dat appellant op 8 april 2021 niet werkloos was, waardoor hij geen recht had op WW-uitkering vanaf die datum.
De Raad oordeelde dat appellant geen procesbelang had bij inhoudelijke beoordeling van het besluit omdat hij op 8 april 2021 niet voldeed aan de voorwaarden voor WW-uitkering en dat het Gerechtshof de werkloosheid pas op 8 mei 2021 vaststelde. Appellant kan zijn gronden in een lopende procedure over de WW-rechten vanaf 8 mei 2021 aanvoeren. Wel werd vastgesteld dat de rechtbank in strijd met de Awb appellant niet tijdig en correct had uitgenodigd voor de zitting, waardoor een vergoeding van proceskosten werd toegekend.
Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en het Uwv werd veroordeeld tot vergoeding van reiskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang; appellant krijgt een vergoeding van proceskosten.