Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
R.D. van den Heuvel.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als meewerkend voorman schoonmaak en viel in juni 2018 uit wegens gezondheidsklachten. Na een loongerelateerde WGA-uitkering werd hem per 29 januari 2022 een WGA-vervolguitkering toegekend. Appellant betwistte dit en stelde dat hij recht had op een IVA-uitkering wegens duurzame volledige arbeidsongeschiktheid.
Het UWV baseerde haar oordeel op een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en medische expertises, waaronder een neurologische en psychiatrische beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat appellant volledig arbeidsongeschikt was, maar dat de beperkingen niet duurzaam waren vanwege de mogelijkheid tot behandeling met een CGRP-inhibitor die sinds november 2021 onder strikte voorwaarden in het basispakket van de zorgverzekering werd vergoed.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat het UWV terecht 29 januari 2022 als beoordelingsmoment heeft genomen. De Raad volgt dit oordeel en overweegt dat de kans op verbetering door de behandeling voldoende is onderbouwd, ondanks dat de behandeling achteraf geen effect had. Het hoger beroep wordt verworpen en de toekenning van de WGA-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een IVA-uitkering omdat zijn volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is op 29 januari 2022.