ECLI:NL:CRVB:2024:1186
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante was sinds 2017 ziekgemeld en ontving vanaf 2019 een WGA-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling door het UWV in 2021 werd vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot onder de 35%, waarna de uitkering werd beëindigd. Appellante voerde aan dat zij meer beperkingen had dan vastgesteld, onder meer psychische klachten en taalproblemen, waardoor zij de geselecteerde functies niet kon vervullen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de arbeidskundige beoordeling voldoende gemotiveerd was. Appellante voerde in hoger beroep dezelfde bezwaren aan, waaronder vermeende beperkingen op het gebied van concentratie, medicatiegebruik en handarbeid, en betwistte haar taalvaardigheid.
De Raad concludeert dat de medische beoordeling juist en zorgvuldig is, dat de beperkingen adequaat zijn vastgesteld en dat de arbeidskundige selectie van functies passend is. De Raad wijst erop dat de Nederlandse taal op eenvoudig niveau binnen zes maanden kan worden verworven en dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de HACCP-cursus niet kan volgen. Het hoger beroep wordt verworpen en de beëindiging van de WIA-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.