ECLI:NL:CRVB:2024:1218
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering en weigering WW-uitkering terecht verklaard
Appellante had een WIA-uitkering die het UWV per 25 november 2021 beëindigde omdat haar arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op 26,12%, onder de vereiste 35%. Tevens weigerde het UWV haar een WW-uitkering toe te kennen omdat het arbeidsverleden reeds was meegeteld voor de WIA-uitkering.
De rechtbank had deze besluiten van het UWV bevestigd en stelde vast dat de medische en arbeidskundige beoordelingen voldoende waren gemotiveerd en dat de herbeoordeling in bezwaar geen nadelige gevolgen voor appellante had. De Centrale Raad van Beroep volgde dit oordeel en oordeelde dat het verbod van reformatio in peius niet was geschonden.
De Raad nam aan dat de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige de beperkingen van appellante correct hadden vastgesteld en dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd passend waren. Ook werd bevestigd dat de WW-aanvraag terecht was afgewezen omdat de weken die meetelden voor de WIA-uitkering niet nogmaals konden worden gebruikt.
Het hoger beroep van appellante werd afgewezen, waarmee de beëindiging van de WIA-uitkering en de weigering van de WW-uitkering ongewijzigd bleven. Appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering en de weigering van de WW-uitkering per 25 november 2021.