Verzoeker ontvangt sinds 2006 bijstand en staat ingeschreven op een adres te Dordrecht. Het dagelijks bestuur trok de bijstand in omdat verzoeker volgens hen niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft, onderbouwd met extreem laag waterverbruik. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker ongegrond en handhaafde het besluit.
Verzoeker stelde in hoger beroep dat hij wel op het adres woont, ondersteund door een psychiatrische verklaring die zijn beperkte waterverbruik verklaart vanuit psychische problematiek. Daarnaast werden verklaringen van buren en derden en bevindingen tijdens een huisbezoek overgelegd die zijn verblijf op het adres bevestigen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het extreem lage waterverbruik de vooronderstelling rechtvaardigt dat verzoeker niet op het adres woont, maar dat verzoeker deze vooronderstelling aannemelijk heeft weerlegd. Gezien zijn psychische toestand en de ondersteunende verklaringen is het voorlopig oordeel dat verzoeker zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft. Daarom wordt een voorlopige voorziening getroffen en moet het dagelijks bestuur vanaf 30 april 2024 bijstand verstrekken tot uitspraak in het hoger beroep.