ECLI:NL:RBZWB:2024:6241
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens niet-woonachtig op uitkeringsadres
Verzoeker maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg om zijn bijstandsuitkering te blokkeren en later in te trekken omdat hij volgens het college niet woonde op het uitkeringsadres. Het college baseerde dit op een extreem laag waterverbruik, beperkte pintransacties, waarnemingen en bevindingen bij huisbezoeken.
Verzoeker stelde dat hij wel op het uitkeringsadres woonde en gaf verschillende verklaringen voor het lage waterverbruik, waaronder het ontbreken van een contract met de waterleverancier en zijn verblijf bij zijn zieke moeder. Hij voerde ook aan dat zijn beperkte mobiliteit door een verkeersongeval zijn woon- en verhuismogelijkheden beïnvloedde.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het college het waterverbruik terecht had geëxtrapoleerd en dat het extreem lage verbruik de veronderstelling rechtvaardigde dat verzoeker niet op het uitkeringsadres woonde. Verzoeker slaagde er niet in deze veronderstelling overtuigend te weerleggen. Ook de overige bevindingen ondersteunden het oordeel van het college. De intrekking van de uitkering was daarom terecht en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.
Omdat het bestreden besluit II naar voorlopig oordeel standhoudt, werd het verzoek tegen het eerdere besluit I niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen wegens onvoldoende weerlegging van het extreem lage waterverbruik als bewijs van niet-woonachtig zijn op het uitkeringsadres.