ECLI:NL:CRVB:2024:1308
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in WIA-hoger beroep
Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake een WIA-zaak. Het UWV nam op 28 september 2023 een nieuwe beslissing op bezwaar die geheel tegemoetkwam aan de bezwaren van appellant. Vervolgens trok appellant het hoger beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht in de proceskosten werd veroordeeld, inclusief kosten voor rechtsbijstand, reiskosten en een deskundigenrapport. Daarnaast werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed. Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn stelde de Raad vast dat de totale procedure langer dan vier jaar duurde, met een overschrijding van zeven maanden.
De schadevergoeding werd vastgesteld op €1.000,-, waarbij het UWV en de Staat respectievelijk voor twee en vijf maanden van de overschrijding aansprakelijk werden gehouden. De Raad veroordeelde het UWV tot een vergoeding van €285,71 en de Staat tot €714,29. Tevens werden beide partijen ieder voor de helft veroordeeld in de proceskosten met betrekking tot dit verzoek.
De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 3 juli 2024, waarbij het hoger beroep werd gesloten zonder inhoudelijke behandeling vanwege intrekking.
Uitkomst: Het UWV en de Staat werden veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn na intrekking van het hoger beroep.