ECLI:NL:CRVB:2024:1345
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding met lichamelijke en psychische klachten, maar het UWV heeft deze geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelden beperkingen vast en selecteerden passende functies, waarop het UWV het besluit baseerde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, waarbij medische klachten zoals gehoorproblemen, epileptische aanvallen en pijnklachten zijn meegewogen. De medische informatie van neuroloog, huisarts en psychiater werd meegenomen, maar leidde niet tot meer beperkingen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende op zijn medische stukken had gereageerd en dat er meer beperkingen hadden moeten worden vastgesteld. De Raad oordeelt echter dat de medische en arbeidskundige beoordelingen deugdelijk en overtuigend zijn, en dat de geselecteerde functies passend zijn.
Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 3 juli 2024.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.