ECLI:NL:CRVB:2024:1350
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen ondanks Crohn
Appellant, geboren in 1997, vroeg een Wajong-uitkering aan vanwege de ziekte van Crohn. Het UWV weigerde deze uitkering na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek waarin werd vastgesteld dat appellant arbeidsvermogen heeft. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat appellant op zijn achttiende verjaardag en de vijf jaar daarna arbeidsvermogen bezat.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen door Crohn zwaarder waren dan erkend, dat het UWV geen fysiek onderzoek had gedaan en dat hij niet aaneengesloten kon werken vanwege frequent toiletbezoek. Ook stelde hij dat de geselecteerde taak niet passend was en dat hij door ziekteverzuim eerder banen verloor. Het UWV verdedigde het besluit met aanvullend medisch rapport.
De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, ook al was er geen fysiek spreekuur vanwege Covid-19, en dat de medische gegevens en klachten adequaat waren betrokken. Psychische klachten waren onvoldoende onderbouwd. De Raad stelde vast dat appellant ondanks exacerbaties en ziekenhuisopnames voldoende belastbaar was, ook met onderbrekingen voor toiletbezoek, omdat deze geen substantiële onderbreking van het productieproces vormden. De arbeidskundige beoordeling was zorgvuldig en de taak scannen passend. Het beroep werd afgewezen en de weigering van de Wajong-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat appellant over arbeidsvermogen beschikt.