Uitspraak
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten die betrokkene in hoger beroep heeft gemaakt tot een bedrag van € 1.750,-;
- bepaalt dat van de minister een griffierecht wordt geheven van € 548,-.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene verzocht de minister om een prestatiebeurs, toegekend voor een opleiding in het hoger onderwijs tussen 2007 en 2011, om te zetten in een gift. Dit verzoek was gebaseerd op de diagnose autismespectrumstoornis (ASS) uit 2016, waardoor betrokkene niet binnen de diplomatermijn het diploma kon behalen. De minister wees het verzoek in eerste instantie af en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank oordeelde dat het onredelijk was dat de minister geen toepassing gaf aan de hardheidsclausule van artikel 11.5 Wsf 2000, omdat aannemelijk was dat betrokkene door haar ASS niet binnen de diplomatermijn kon afstuderen. De rechtbank vernietigde het besluit en beval een nieuw besluit. De minister gaf hieraan uitvoering door de prestatiebeurs om te zetten in een gift.
De minister ging in hoger beroep tegen de uitspraak en het uitvoeringsbesluit, maar de Centrale Raad van Beroep wees dit beroep af. De Raad stelde vast dat de minister geen nieuwe gronden aanvoerde die het eerdere oordeel konden weerleggen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de minister in de proceskosten van betrokkene. Tevens werd het griffierecht aan de minister opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt afgewezen en de omzetting van de prestatiebeurs in een gift blijft in stand.