Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:1404

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 mei 2024
Publicatiedatum
15 juli 2024
Zaaknummer
22/2706 AOW-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:41 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond verklaard tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Appellant diende verzet in tegen deze beslissing en voerde aan dat zijn rechten werden geschonden, onder meer vanwege betalingsonmacht en een beroep op artikel 6 EVRM Pro.

De Raad heeft het verzet behandeld en geoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die het niet betalen van het griffierecht kunnen rechtvaardigen. De eerdere afwijzing van het beroep op betalingsonmacht blijft van kracht. Het beroep op schending van artikel 6 EVRM Pro en partijdigheid vanwege het heffen van griffierecht wordt verworpen op basis van vaste jurisprudentie.

De Raad concludeert dat het griffierecht terecht is geheven en dat er geen sprake is van partijdigheid. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten aan appellant toegekend.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet-betaling van griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 24 mei 2024
22/2706 AOW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 juli 2022, 20/149 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Amstelveen)

PROCESVERLOOP

In de uitspraak van 1 december 2023 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet is betaald.
Appellant heeft verzet ingediend.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 12 april 2024. Appellant is verschenen.

OVERWEGINGEN

Appellant heeft tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg hoger beroep ingesteld. In de uitspraak van de Raad van 1 december 2023 is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de in de brief van 2 januari 2023 gestelde termijn is betaald.
In verzet heeft appellant aangevoerd dat zijn rechten zijn geschonden. Op de zitting heeft appellant eraan toegevoegd hij het griffierecht niet kan betalen en doet een beroep op betalingsonmacht. Daarnaast stelt hij, onder verwijzing naar artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat hem de vrije toegang tot de rechter wordt belemmerd omdat er griffierecht wordt geheven en dat dit leidt tot partijdigheid van de rechtbank.
De Raad ziet in wat appellant heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheden die maken dat het niet betalen van het griffierecht hem niet of slechts in geringe mate kan worden toegerekend. Appellant heeft naar voren gebracht dat hij niet in staat is om griffierecht te betalen, maar dit is door de Raad in een brief van 3 januari 2023 afgewezen. In wat appellant heeft aangevoerd is geen aanleiding om te oordelen dat dit onjuist zou zijn.
Wat betreft de grond van appellant dat het heffen van griffierecht in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM Pro volgt de Raad de vaste jurisprudentie die hierover bestaat (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 24 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:732) en concludeert dat dit standpunt onjuist is.
Daarnaast stelt appellant dat het heffen van griffierecht blijk geeft van partijdigheid. In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet van bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Zoals blijkt uit voorgaande artikelen gaat de grond van appellant niet op, aangezien het griffierecht wordt geheven van de partij die in hoger beroep gaat, in dit geval appellant. Daarbij is dus geen sprake van partijdigheid.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om proceskosten aan appellant te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van A.M. Geurtsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2024.
(getekend) J.C. Boeree
(getekend) A.M. Geurtsen