ECLI:NL:CRVB:2024:1408
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet betalen griffierecht afgewezen
Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet was betaald binnen de gestelde termijn.
Appellant diende verzet in en voerde aan dat hij het griffierecht niet kon betalen en dat het heffen van griffierecht zijn recht op toegang tot de rechter belemmert, verwijzend naar artikel 6 EVRM Pro. Tevens stelde hij dat het heffen van griffierecht partijdigheid van de rechtbank impliceert.
De Raad oordeelde dat appellant geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd die het niet betalen van het griffierecht konden rechtvaardigen. Het beroep op betalingsonmacht was reeds afgewezen. De Raad volgde de vaste jurisprudentie dat het heffen van griffierecht niet in strijd is met artikel 6 EVRM Pro en dat het niet leidt tot partijdigheid.
Daarom verklaarde de Raad het verzet ongegrond en zag geen aanleiding om proceskosten aan appellant te vergoeden.
Uitkomst: Het verzet van appellant tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn hoger beroep wegens niet betaling van griffierecht wordt ongegrond verklaard.