ECLI:NL:CRVB:2024:1436
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens ontbreken hoofdverblijf op uitkeringsadres
In deze zaak gaat het om de intrekking van bijstand per 1 januari 2021 en de terugvordering van bijstandskosten en energietoeslag over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 augustus 2022. Het college van burgemeester en wethouders van Groningen heeft de bijstand ingetrokken op grond van het feit dat appellante haar hoofdverblijf niet langer had op het uitkeringsadres, wat werd onderbouwd met een extreem laag waterverbruik.
Appellante voerde aan dat zij haar hoofdverblijf wel op het uitkeringsadres had, maar bracht geen feiten of omstandigheden naar voren die de vooronderstelling van het college konden weerleggen. Zij stelde wel overlast van een buurman te ervaren en vaak van huis te zijn, maar dit werd niet als voldoende weerlegging beschouwd. Ook haar verwijzing naar pintransacties in de woonplaats was irrelevant voor de vraag of haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres was.
De Raad verwijst naar vaste rechtspraak waarin een extreem laag waterverbruik (maximaal 7 m³ per jaar per huishouden) de vooronderstelling rechtvaardigt dat een woning niet bewoond wordt. Appellante heeft onvoldoende gemotiveerd dat dit niet op haar situatie van toepassing is. De gesprekken met een consulent en haar wens om te verhuizen zijn niet voldoende om de intrekking te weerleggen.
De Raad bevestigt daarom het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland. Het hoger beroep wordt verworpen en er is geen aanleiding voor een kostenveroordeling.
Uitkomst: Hoger beroep wordt verworpen; intrekking en terugvordering bijstand blijven in stand.