Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig warehouse operator, vroeg een WIA-uitkering aan per 25 april 2021. Het UWV weigerde deze omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht op basis van medische en arbeidskundige beoordelingen. Appellant voerde aan dat hij meer beperkingen had, onder meer psychische en elleboogklachten, en dat de geselecteerde functies niet passend waren.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de medische beoordeling juist was, waarbij werd meegewogen dat de psychische klachten na de datum in geding waren toegenomen en dat de elleboogklachten adequaat waren meegenomen. De arbeidskundige beoordeling werd eveneens bevestigd, waarbij het opleidingsniveau van appellant en de geschiktheid van de functies voldoende waren onderbouwd.
De Raad wees het verzoek tot inschakeling van een deskundige af en verwierp de bezwaren tegen de functiebeoordelingen. De Raad concludeerde dat het UWV terecht geen WIA-uitkering toekende, bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.