ECLI:NL:CRVB:2024:1463
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vergoeding schade wegens overschrijding redelijke termijn in WIA-procedure
Appellante stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV in een WIA-zaak en verzocht tevens om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Het UWV nam op 30 april 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar waarbij het volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante. Hierop trok appellante op 13 mei 2024 het hoger beroep in en herhaalde haar verzoek om schadevergoeding.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de totale procedure van ontvangst bezwaarschrift op 1 november 2019 tot bekendmaking tegemoetkomend besluit op 30 april 2024 vier jaar en zes maanden had geduurd, waarmee de redelijke termijn met een half jaar was overschreden. De overschrijding had zich volledig voorgedaan in de bestuurlijke fase.
Op grond van de jurisprudentie van de Raad is een vergoeding van €500 passend bij een overschrijding van een half jaar. Het UWV werd daarom veroordeeld tot betaling van deze immateriële schadevergoeding aan appellante. Het griffierecht werd reeds door het UWV vergoed, zodat hierover geen uitspraak werd gedaan.
De uitspraak werd gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen namens de Centrale Raad van Beroep op 18 juli 2024.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.