Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, wonende in een Wlz-instelling, maakte bezwaar tegen de hoogte van zijn eigen bijdrage voor zorg, vastgesteld door het CAK. Na een gedeeltelijke correctie bleef de eigen bijdrage hoog, waarop appellant beroep instelde bij de rechtbank en vervolgens hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De rechtbank oordeelde dat de wettelijke regels dwingendrechtelijk zijn en alleen bij bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken. Appellant stelde dat zijn persoonlijke situatie, waaronder het aanhouden van zijn woning en extra kosten door aandoeningen, bijzondere omstandigheden vormden.
De Raad overwoog dat de wettelijke bepalingen geen ruimte bieden voor een hardheidsclausule, maar dat uitzonderingen mogelijk zijn bij strijd met het evenredigheidsbeginsel. De Raad concludeerde dat appellant geen bijzondere omstandigheden had aangetoond, mede omdat hij spaargeld bezit en geen concreet uitzicht heeft op terugkeer naar zijn woning.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding. De beslissing werd uitgesproken door L.M. Tobé op 19 juli 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit over de eigen bijdrage blijft ongewijzigd.