ECLI:NL:CRVB:2024:152
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering ondanks geschil over medische beperkingen en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellant, werkzaam als gibosteller, ontving sinds 1990 een WAO-uitkering die in 2017 werd verlaagd naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. Hij stelde bezwaar tegen deze verlaging en voerde aan dat zijn lichamelijke en psychische beperkingen onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging.
De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die na zorgvuldige bestudering van medische informatie en eigen onderzoek concludeerde dat de beperkingen van appellant juist waren weergegeven in een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige bevestigde dat de geselecteerde functies, met uitzondering van heftruckchauffeur, geschikt waren, waardoor de arbeidsongeschiktheidsklasse ongewijzigd bleef.
De Raad oordeelde dat het oordeel van de deskundige overtuigend was en dat een nieuw arbeidskundig onderzoek niet nodig was. Het bestreden besluit werd ondanks een motiveringsgebrek in eerste aanleg met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro gehandhaafd. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn van de procedure met ruim twee jaar was overschreden, wat leidde tot een schadevergoeding van € 2.500,-, waarvan het UWV en de Staat elk een deel vergoedden. Proceskosten werden eveneens toegewezen aan appellant.
Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de WAO-uitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35% wordt bevestigd en een schadevergoeding van € 2.500,- wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.