Appellante, geboren in 1927, heeft sinds 2017 een traplift in bruikleen op grond van de Wmo 2015. Na een aanvraag tot aanpassing van de traplift wees het college van burgemeester en wethouders van Hilversum dit af omdat de beperking voortkwam uit de aard van de gebruikte materialen, mede door een nieuw gelegde dikkere vloer.
Appellante maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de fictieve weigering van het college om tijdig te beslissen. De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland wees het verzoek om een voorlopige voorziening af wegens gebrek aan spoedeisend belang. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelt dat het hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is wegens een wettelijk appelverbod en dat het overige hoger beroep niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang. Dit laatste omdat het besluit inmiddels genomen is, appellante verhuisd is en de trapliftverstrekking is ingetrokken. Een principieel belang is onvoldoende voor ontvankelijkheid.
De Raad concludeert dat hij onbevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep tegen de voorlopige voorziening en verklaart het overige hoger beroep niet-ontvankelijk. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.