ECLI:NL:CRVB:2024:1557
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering persoonsgebonden budget wegens belangenverstrengeling bij uitbreiding maatwerkvoorziening
Appellant, met beperkingen door niet-aangeboren hersenletsel, vroeg om uitbreiding van zijn maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp en persoonlijke begeleiding via een pgb. Het college startte een rechtmatigheidsonderzoek en concludeerde dat appellant, mede door de rolvermenging van zijn broer als mentor, bewindvoerder, budgethouder en begeleider, niet in staat was de pgb-taken verantwoord uit te voeren. Hierdoor werd het pgb geweigerd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde het besluit. Appellant stelde in hoger beroep dat de hoorplicht was geschonden, dat er geen belangenverstrengeling was en dat het rechtszekerheidsbeginsel werd geschonden omdat de rollen van zijn broer al jaren bekend waren. De Raad verwierp deze bezwaren, oordeelde dat appellant voldoende gelegenheid had gekregen om de belangenverstrengeling te beëindigen en dat het college op basis van nieuwe informatie terecht het pgb had geweigerd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten. De beslissing werd op 31 juli 2024 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De weigering om aan appellant een persoonsgebonden budget te verstrekken blijft in stand vanwege belangenverstrengeling.