ECLI:NL:CRVB:2024:1571
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Appellante was sinds 22 september 2016 ziek gemeld en ontving een Ziektewet-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 22 oktober 2017 omdat zij volgens een arbeidsdeskundige meer dan 65% van haar laatstverdiende loon kon verdienen in passende functies. Appellante betwistte dit en stelde dat haar medische beperkingen niet juist waren vastgesteld, met name het medisch noodzakelijk gebruik van een stok.
De rechtbank bevestigde het besluit van het UWV, waarbij zij het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgde en het standpunt van de door appellante ingeschakelde verzekeringsarts niet volgde vanwege onvoldoende medische onderbouwing. In hoger beroep heeft de Raad een onafhankelijke neuroloog als deskundige geraadpleegd, die concludeerde dat er geen extra beperkingen waren ten opzichte van de vastgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst van 1 maart 2018.
De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige beoordelingen juist zijn en dat de beëindiging van de ZW-uitkering terecht is. Daarnaast werd vastgesteld dat de totale duur van de procedure de redelijke termijn overschreed met bijna drie jaar, waardoor de Staat werd veroordeeld tot een schadevergoeding van €3.000 aan appellante. De proceskosten voor dit verzoek zijn eveneens aan appellante toegekend.
Het hoger beroep wordt afgewezen, de beëindiging van de uitkering blijft in stand en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten.
Uitkomst: De beëindiging van de ZW-uitkering wordt bevestigd en appellante ontvangt een schadevergoeding van €3.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.