ECLI:NL:CRVB:2024:1613
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij intrekking en terugvordering WW- en ZW-uitkering
Appellante diende op 1 juni 2017 een aanvraag in voor een WW-uitkering, welke door het Uwv werd toegekend met ingang van 3 juli 2017. Na ziekte en doorbetaling van de WW-uitkering werd haar per 11 december 2017 een ZW-uitkering toegekend. Na onderzoek naar haar werkzaamheden als bestuurder van twee stichtingen, concludeerde het Uwv dat zij als zelfstandige werkte en meer verdiende dan toegestaan, wat leidde tot intrekking van de WW- en ZW-uitkeringen en terugvordering van in totaal ruim €27.000.
Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel. Appellante stelde dat zij geen werkzaamheden verrichtte en slechts als stroman fungeerde. Tevens voerde zij aan dat zij procesbelang had vanwege een strafbeschikking die haar de mogelijkheid tot het verkrijgen van een VOG belemmert.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit ziet op intrekking en terugvordering van uitkeringen waarvan de schulden inmiddels door het Uwv zijn kwijtgescholden, waardoor appellante geen financieel belang meer heeft. Ook het aangevoerde procesbelang in verband met de strafbeschikking werd niet gevolgd, omdat de officier van justitie en Justis onafhankelijk een afweging maken. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en werd geen inhoudelijke beoordeling gegeven.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.