ECLI:NL:CRVB:2024:1625
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als medewerker algemeen schoonmaakonderhoud en meldde zich ziek met psychische klachten. Het UWV weigerde haar een WIA-uitkering toe te kennen per 30 december 2020 omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Diverse medische onderzoeken en rapporten, waaronder van verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige, concludeerden dat appellante geschikt is voor bepaalde functies en niet voldoet aan de criteria voor een situatie van geen benutbare mogelijkheden (GBM).
Appellante maakte bezwaar tegen de besluiten van het UWV en voerde aan dat de medische onderzoeken onzorgvuldig waren en dat haar beperkingen werden onderschat. Zij overhandigde aanvullende medische rapporten en verzocht om benoeming van onafhankelijke deskundigen, wat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde haar beroepen ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies geschikt waren.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep de uitspraken van de rechtbank. De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van de eerdere conclusies en oordeelde dat appellante terecht geen WIA-uitkering ontvangt en geen recht heeft op Ziektewet-uitkeringen per de aangevochten data. Ook het verzoek om onafhankelijke deskundigen werd afgewezen wegens gebrek aan twijfel aan de medische beoordeling. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de aangevallen uitspraken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen WIA-uitkering en geen Ziektewet-uitkeringen toekomen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.