ECLI:NL:CRVB:2024:1628
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd in hoger beroep
Appellante ontving sinds 2016 een WIA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordeling door het UWV, inclusief medisch en arbeidskundig onderzoek, werd vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot 5,39%, waarna de uitkering per 25 augustus 2022 werd beëindigd.
Appellante betwistte deze beoordeling en overhandigde een aanvullend medisch rapport waarin meer beperkingen werden gesteld, waaronder carpaal tunnel syndroom. Het UWV paste daarop de Functionele Mogelijkhedenlijst aan, maar concludeerde dat er nog voldoende passende functies waren en dat de arbeidsongeschiktheid onder de 35% bleef.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en bevestigde het besluit. In hoger beroep volgde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat de aanvullende beperkingen niet voldoende waren onderbouwd en dat de arbeidskundige beoordeling juist was. Het verzoek om een deskundige te benoemen werd afgewezen.
De Raad bevestigde daarmee de beëindiging van de WIA-uitkering en wees het hoger beroep af. Appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter F.M. Rijnbeek op 7 augustus 2024.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.